• Afdrukken

Boeiende jeugdtrainersdag in Arnhem

Zo'n honderd jeugdleiders, schaakouders en andere belangstellenden hebben zaterdag 1 oktober in het Olympus College in Arnhem een interessante jeugdtrainersdag bijgewoond. Voor de organisatie tekenden de regionale bonden SBO en OSBO alsook de KNSB. Voor het programma zie www.schaakbond.nl/opleidingen/landelijke-themadag-jeugd

Deelnemers konden diverse workshops volgen. Zelf heb ik workshops van IM Cor van Wijgerden over de Tutor-methode (uitbreiding van Stappenmethode) en bordvisie (leren voorkomen van blunders) gevolgd. Ook woonde ik een lezing van Arlette van Weersel (zie foto) bij over het begeleiden van jeugdschakers.

Van Wijgerden vertelde over de voordelen van de Tutor-methode (met gratis demo op internet) die een uitbreiding vormt van de Stappenmethode. De Tutors hebben een heldere instructie, ze zijn grafisch mooi, er zijn veel oefeningen (heel belangrijk om kennis en inzicht op te doen en vaardigheden te ontwikkelen), meer toetsen (mix van verschillende opgaven) en je kunt stellingen uitspelen (er hangt een engine achter).

Van Wijgerden wees op het belang van veel variatie, herhalen en het automatiseren van vaardigheden (je werkgeheugen is beperkt, dus je kan maar een paar nieuwe dingen tegelijk toepassen). Tactiekstudie is erg belangrijk. Hij verwees naar de successen van het Polgar-syteem en publicaties als van Michael de la Maza die 400 elopunten in 400 dagen in het vooruitzicht stelt. Volgens Van Wijgerden moet je alleen wel zin en onzin weten te scheiden in dat verhaal.

Net als andere computermethoden heeft ook de Tutor-methode het nadeel dat er geen foutenanalyse plaatsvindt. Daarvoor moet je bij een schaakleraar terecht, maar je kunt natuurlijk deels wel zelf achterhalen wat je tactisch fout hebt gedaan.

Iedereen kan schaakleraar worden en velen bakken er niets van. Aldus Van Wijgerden. Als je kinderen begeleidt neem je een verantwoordelijkheid op je en dan kun je dus maar beter wel goed lesgeven. Het helpt als als je de didactische handleidingen bij zijn Stappenmethode leest en af en toe met een andere schaakleraar feedback en tips uitwisselt. Misschien kom je er dan wel achter dat het contraproductief is om beginnende schakertjes huiswerk mee te geven. Wellicht is het wel beter om ze spelletjes te leren waardoor ze spontaan die spelletjes gaan spelen en spelenderwijs vaardigheden ontwikkelen. Misschien kunnen schaakleraren elkaar ook wel tips geven over omgaan met grote niveauverschillen in een groep: subgroepjes maken en eventueel sterkere leerlingen vragen om zwakkere te helpen. Dat vinden ze vaak leuk.

In zijn onderdeel over bordvisie (voorkomen van blunders) vertelde Van Wijgerden dat het belangrijk is om kinderen vroeg te leren om geen stukken weg te geven. Aanvankelijk maakt dat hen niet uit, want ze hebben toch een hele 'dierentuin' met zestien stukken en pionnen en degene die de laatste fout maakt, verliest. Een paar jaar later breekt dat op. Veel oefenen in aanvallen en verdedigen van stukken is van niet te onderschatten belang. Je kunt het ook oefenen via de diverse spelletjes als 'routeplanners' op de dvd's. Daarbij is het belangrijk dat er aanvankelijk weinig stukken op het bord staan. 'Ruis' leidt af van de essentie. Speciale aandacht vraagt Van Wijgerden in dat verband voor les 5 van Stap 1 (verdedigingsles). Dat gedachtengoed is gebaseerd op de opvatting van Van Wijgerden en zijn overleden mede-auteur Rob Brunia dat kinderen eerst de materiaalfase goed moeten doorlopen voordat ze aan de ruimtelijke en tijdfase beginnen. Van Wijgerden adviseert om partijen van kinderen te bekijken, hun fouten te noteren en die met hen te bespreken.

Dat je dergelijke zaken beter vroeg kunt leren sluit overigens aan bij theorie├źn over 'gevoelige perioden' en onderzoek van de Russische psycholoog GM Nicolai Krogius (boek 'Psychologie im Schach') waar uit blijkt dat schakers die na hun tiende jaar zijn begonnen, later significant meer tactische fouten maken. Je leert na je tiende ook niet meer vloeiend Chinees.

Arlette van Weersel (afgestudeerd Master in Coaching op de Johan Cruijff University) hield een betoog over het belang van inzicht in de psychologie van kinderen die je begeleidt. Ook is het belangrijk dat je van jezelf begrijpt hoe je begeleidt en dat je eigen coachingstijl aansluit op het type kind. Kinderen hebben verschillende karakters en leerstijlen. Om een optimaal leer- en prestatierendement (ook leuk voor het kind zelf) te halen moet je met dergelijke factoren rekening houden. Introverte kinderen klappen bijvoorbeeld dicht en daar merk je niet direct iets aan. Binnen lesgroepen heb je uiteenlopende kinderen. Het is nuttig om uiteenlopende werkvormen te gebruiken, zodat je optimaal aansluit op uiteenlopende leerstijlen. De een is meer een doener, de ander overdenkt zijn zaakjes. Laat ze allemaal aan hun trekken komen. Het is ook handig om jezelf en de kinderen de juiste vragen te stellen. Stopt een kind met schaken omdat zij het stom vindt? Of is verliezen misschien niet leuk? En is verliezen misschien wel te voorkomen, of kun je er anders tegen aan kijken? Als een kind in de stress schiet tijdens een toernooi, moet je hem zo snel mogelijk uit die situatie halen en andere perspectieven tonen. Voorkomen is beter dan genezen. In de praktijk valt dat niet altijd mee. Zelf dacht Van Weersel na een paar nullen op het laatste dames-NK ook 'wat doe ik hier?!'

Theoretisch baseert Van Weersel zich op publicaties van onder meer Peter Murphy en de psycholoog Jan Huijbers. Die borduren voort op psychoanalyse en karaktertypologie├źn. Dat is niet mijn ding. Voor wie er op door wil studeren, zie bijvoorbeeld de Myers Briggs Persoonlijkheidstesten. Of heb het er eens met Arlette over.

Gepost: 2-10-2011